onhandig

Springen, Stoten en Struikelen


Een blog over wat onhandigheid vertelt over reflexen

Je kent het vast wel: een kind dat struikelt bij het aan- of uitkleden, dat klimmen op het
speeltoestel liever vermijdt of bij springen erg voorzichtig is. Misschien lijkt het iets kleins,
want ‘ach, hij is gewoon wat onhandig’.
Maar wat als er meer achter zit? Wat als de motoriek niet persé het probleem is, maar iets
onderliggends: een onvolledig geïntegreerde reflex?

Onhandigheid

Onhandigheid kan zich op allerlei manieren uiten:

  • vaak struikelen of tegen dingen aanlopen
  • vermijden van klim- of springactiviteiten
  • lastig vinden om onderdeel te zijn van (groeps)spel waarbij beweging centraal staat
  • moeite met het krijgen van sprongkracht, afdalen, landen, of het inschatten van ruimte en afstand.

Voor het kind (en voor jou als ouders) voelt het soms alsof alles net niet goed lukt.
Het kan leiden tot frustratie, minder plezier in bewegen en soms zelfs een steeds
terugkerend beeld van: ‘ik kan dat niet’.

Klimmen en springen

Klimmen en springen zijn motorische vaardigheden die eigenlijk van nature ontwikkeld
worden — maar wel met een stevige basis. Het kind moet:

  • zijn eigen lichaam goed aanvoelen en beheersen (proprioceptie)
    weten waar het hoofd, de voeten, het bekken zijn in de ruimte (lichaamsbesef)
  • een goed evenwicht en verplaatsing kunnen maken
  • coördineren tussen armen, benen, romp
  • kunnen landen, afzetten, springen én weer veilig landen.

Als één van deze basiselementen niet goed functioneert, dan wordt klimmen of springen
al snel iets spannends of vervelends in plaats van iets leuks. En dan wordt een kind soms
terughoudend, gaat het minder proberen of vermijdt bepaalde spellen.
Daarmee mist het belangrijke bewegingsontwikkeling, maar valt het ook sociaal-
emotioneel sneller buiten de boot.

Maar wat heeft dit dan met reflexen te maken?

De basis van beweging en coördinatie is vaak al gelegd in het allervroegste leven.
In mijn eerdere blogs heb ik al uitgelegd dat primaire reflexen (= ongecoördineerde,
onbewuste bewegingen) ingebouwd zitten en geïntegreerd horen te worden.
Reflexintegratie betekent: dat die reflexen, die geleidelijk hun werk gedaan hebben,
netjes zijn afgerond en het kind verder vrij laat bewegen, leren en ervaren.
Als dat proces niet goed verloopt, blijft er een prikkel bestaan in die reflexen —
en die kunnen letterlijk in de weg gaan zitten.

Een reflex die hoort ‘uit’ te zijn, kan geactiveerd worden bij een onverwachte beweging of
prikkel (bijvoorbeeld bij springen of landen). Hierdoor ontstaat spanning of vertraging.
Het lichaam moet automatisch en soepel schakelen tussen spannen en ontspannen.
Blijft er ergens een reflex actief, dan werkt het “vertragen” of loslaten niet optimaal.
Dat maakt het springen minder flitsend, het landen haperend.
Coördinatie tussen boven- en onderlichaam, evenwicht, ruimte-inschatting — die hogere
functies gaan lastiger wanneer de basisreflexen niet goed geïntegreerd zijn.
Het kind ervaart daardoor misschien onbewust ‘ik ben minder goed in bewegen’, wat
effect heeft op veiligheid, zelfvertrouwen en de bereidheid om te oefenen.

Even een voorbeeld:
Stel: een kind van 8 jaar klimt niet graag in het klimrek. Hij gaat vrij traag omhoog, en durft
het niet van het hoogste punt af te springen. Zijn vriendje rent voluit, klimt, springt, lacht.
Wat zou er kunnen spelen? Misschien is de Tonische Labyrinth­Reflex (TLR) niet volledig
geïntegreerd, waardoor het evenwicht ondersteboven lastig blijft — landingen worden
onzeker. Of de Symmetrische Tonische Nekreflex (STNR) is nog actief waardoor het
moeilijk is om armen en benen los van de romp te bewegen, wat klimmen hindert.
En zo zijn er nog enkele reflexen die storend kunnen zijn en het bewegen moeizaam maken.

Wat kan ik als ouder doen?

Als ouder wil je natuurlijk jouw kind zo goed mogelijk helpen. Ook als je niet zoveel weet
van motoriek, kun je toch je kind helpen. Hoe?

  • (h)erken dat je kind moeite heeft en kijk verder dan alleen ‘hij is wat onhandig’.
  • Kijk goed en schrijf op wat je ziet: valt het vooral bij springen? Bij onverwachte
    bewegingen? Vermijdt het de uitdaging? Hangt het lijf los? Zit het veel onderuit?
    Soms geven deze signalen richting.
  • Zorg dat je lekker veel met je kind gaat spelen. Denk aan opdrachtjes als huppelen,
    hinkelen, één been springen, kleine sprongen, trampoline omhoog en neer,
    klimmen met touw, hangspelletjes etc.
  • Zie je dat je kind, ondanks samen bewegen, moeite blijft houden, zoek dan hulp!
    Neem gerust contact met mij op, ik kijk en denk graag met je mee!